De kracht van oma Jannetje.

Als kindercoach en opvoedopsteller kom ik meestal ouders met opgroeiende kinderen tegen. Maar onlangs sprak ik mijn tante Gerda van 77 jaar. Moeder, oma en bovenal -nog altijd- dochter. Tijdens ons gesprek ontvouwde zich een opstelling waar ik met ontzag en verwondering over na bleef denken.

Ik spreek tante Gerda, de jongste zus van mijn moeder, op een verjaardagsfeestje van mijn oom, haar zwager, die 80 jaar is geworden. Tante Gerda verzorgt sinds enkele jaren liefdevol en moedig haar dementerende man, mijn oom Gert. Als ik haar vraag hoe het met haar gaat, schrik ik van de paarsblauwe zwelling rond haar linkeroog. ‘Van de week gevallen toen ik de afvalcontainer aan de weg zette’, verklaart ze. Hoewel haar kinderen veel bijspringen, doet zij dit soort klusjes noodgedwongen zelf. ‘Vroeger deed oom Gert dat natuurlijk’, zegt ze. ‘Maar dat kan hij niet meer’. Ze kijkt met heimwee in haar blik naar haar man die naast haar aan tafel zit. Zijn ogen volgen haar bewegingen onafgebroken in een wereld die voor hem vreemd en onbekend geworden is. Zij is zijn grote steun en houvast.

Ik vraag aan tante Gerda waar zíj steun en houvast aan heeft. Naast haar kinderen, die veel uit handen nemen, noemt ze het stilte-centrum van een kerkje in haar dorp.

‘Daar vind ik kracht om door te gaan. Daar voel ik-bijna letterlijk- de handen van mijn ouders op mijn schouders’. ‘Nou, ja, vervolgt ze, ‘vooral van mijn vader; jóuw opa dus. Oma was een ander verhaal....’ Ze valt even stil en blikt terug naar herinneringen. Met tranen in haar ogen zegt ze:’ ik heb altijd zó mijn best gedaan om een goede dochter te zijn, maar het was nooit genoeg....’

Ik denk aan mijn oma. Oma Koekoek. Zo noemden wij haar. Naar de klok in de keuken. In mijn herinnering een sterke, eigengereide vrouw. Deed de dingen op háár manier. Een beetje ‘koekoek’ en niet altijd goed te begrijpen voor de mensen om haar heen.

Als klein meisje merkte ik dat de warmte die ik bij mijn moeder voelde, bij haar vaak ontbrak. Ik verbaasde me er toen al over hoe moeder en dochter daarin zó konden verschillen.

Nu lijkt deze vraag zich opnieuw aan te dienen. Ik stel hem aan mijn tante Gerda. En ze vertelt over haar liefdevolle vader. Mijn opa, die inderdaad wist wat geven was. Voor ieder kleinkind verzon hij een passende bijnaam en er was altijd ruimte op zijn schoot voor ‘Paardje Hop’. 

Opeens, een zachte blik op het gezicht van tante Gerda. Iets van heel lang geleden. Ze was het bijna vergeten. Oma Jannetje, háar oma, moeder van haar moeder. Mijn overgrootmoeder. Lief, zorgzaam en eindeloos geduldig naar haar man, opa Cornelis, die niet meer helder was toen hij op leeftijd kwam.

Het raakt haar als ze zegt: ‘Zij had hetzelfde te doen, als ik te doen heb. En ze deed het met zóveel liefde!’

Dan een zucht. Een zucht waarmee alles op z’n plek lijkt te vallen.

Als we afscheid nemen bedank ik haar voor het vertellen van haar verhaal.  Ze lacht en zegt: ‘En jij bedankt voor het luisteren. Het heeft me goed gedaan.’

foto