Ik ben een driehoek

 

‘Ik wil heel graag af van mijn boze gevoelens af die ontstaan door het gedrag van mijn oudste zoon. Hij heeft ADHD en een aan autisme verwante stoornis. Ik weet dat hij niets kan doen aan zijn gedrag, maar het geeft me zo’n boos gevoel dat het voor mij niet goed is! Ik wens mezelf innerlijke rust toe. Dan komt de rest ook goed.'

Marlies heeft mij gebeld voor een opvoedopstelling. Ze heeft erover gelezen en voelt dat hier de antwoorden liggen waar ze op hoopt.

Bij het uitzoeken van de vloertegels gebeurt er iets bijzonders. Ik leg uit dat de ronde tegels voor het vrouwelijke staan en vierkante voor het mannelijke. Ze kijkt, voelt, pakt vast, legt terug, twijfelt en zegt: ‘Het voelt alsof ik geen van beide ben. Ik ben meer een driehoek’. Ik geef haar een schaar en zij knipt uit één van de bestaande tegels een driehoek. Deze legt zij op de grond. Ik nodig haar uit om ook een tegel voor haar zoon neer te leggen, zoals het voelt tussen hen. Daarna volgen tegels van haar twee andere kinderen en haar partner.

Meekijkend vanuit mijn systemische blik, valt mij de centrale plek van Marlies op in het geheel. De blikken van haar drie kinderen zijn op haar gericht. Haar partner staat wat afzijdig. ‘Dit is hoe het is’, zegt ze. ‘Het is zwaar, maar ik kan het aan, want ik kan alles aan.’

Ik vraag naar haar boosheid. Het valt even stil. ‘Het is er wel, maar hoort niet bij dít.’ Ze wijst naar haar gezin.

Door mijn ervaring als opvoedopsteller weet ik dat veel opvroedvragen van ouders terugvoeren naar het gezin van herkomst of soms nog verder terug. Daarom vraag ik haar tegels uit te kiezen voor haar ouders, zus en broer.

In het voorgesprek heeft Marlies mij verteld dat zij altijd heeft gedacht dat ze de oudste van het gezin was. Enkele jaren geleden hoorde ze van een oom dat er een kindje vóór haar is geweest, dat in de zwangerschap is overleden.

Ik zet een kaarsje neer op de plek van dit kindje. Want ook dit kindje hoort erbij. Het raakt Marlies als ze het kaarsje ziet. ‘Ik denk dat het een jongetje was’, zegt ze. ‘En ik was het meisje dat de plek van dit jongetje toebedeeld kreeg.’ Ze vertelt over haar vader die graag jongensdingen met haar deed. En om hem niet teleur te stellen deed ze mee. Zo ontwikkelde ze een stoere, mannelijke kant. Haar moeder leunde flink op haar en stelde zich afhankelijk op naar Marlies. Zo kon ze álles aan!

Door omstandigheden van het leven kan het zijn dat een moeder er niet echt kan zijn voor haar kinderen. Bij de moeder van Marlies was dat zo. Ik leg daarom tegels neer voor (over/)grootmoeders met de woorden: ’Er is een bron van onvoorwaardelijke moederliefde’. Dit werkt vaak verzachtend en helend.

Als ik vraag naar de verlangens van Marlies op deze plek, geeft Marlies aan dat ze iets nodig heeft van haar oma: de ronde, roze tegel van haar oma. Ze gaat door haar hurken en neemt haar plek, op de tegel van oma, verder zittend in. Er klinkt een diepe zucht. Die klinkt als een zucht van rust en kalmte.

Ik ga ervan uit dat met deze zucht iets wegvloeit bij Marlies. Iets wat nodig is om terug te kunnen keren naar de oorspronkelijke vraag over haar boosheid. Ik verleg daarom de aandacht terug naar haar eigen gezin.

Marlies neemt zonder twijfel de ronde tegel van haar oma over. De driehoek blijft achter.

Staand op de nieuwe tegel, met haar kinderen om zich heen en haar man wat op afstand, merkt Marlies dat ze het anders wil. ‘Ik wil niet zo centraal staan, maar meer samen.’ Ze legt de tegel van haar man naast de hare. ‘Dit voelt heel fijn’, zegt ze. ‘Zo zou ik het willen hebben. Er samen zijn voor de kinderen!’

Na afloop praten we nog na en Marlies beseft dat de plek die zij inneemt voor haar alleen teveel is en er misschien ook wel voor zorgt dat haar man zíjn plek niet kan innemen. Hier kunnen bij hem dieperliggende factoren meespelen, die in een opvoedopstelling waar hij de ‘vraagsteller’ is, onderzocht kunnen worden.

Marlies geeft enige tijd later aan dat haar innerlijke boosheid veel minder is geworden. Er zijn zeker nog conflicten met en tussen de kinderen, maar Marlies kan steeds beter bij haar eigen gevoel blijven. Ze is heel blij met de rust die dit haar oplevert.

Ze eindigt met de woorden dat ze ook blij is met haar hervonden meisjeskant. ‘Ik heb zelfs een paar rokjes voor mezelf gekocht!

 

foto